Het kabinet moet met ingang van 2020 een verplichtend ‘ingroeiquotum’ invoeren voor meer topvrouwen bij beursgenoteerde bedrijven. Als de raad van commissarissen van een bedrijf nog niet uit minimaal 30 procent vrouwen bestaat, mag er geen man benoemd worden. Zo’n benoeming wordt dan nietig verklaard: de vacature blijft open tot er een vrouwelijke commissaris is gevonden.

Wilco Dekker - 20 september 2019, bron: de Volkskrant

Dat staat in een advies dat de Sociaal-Economische Raad (SER) vandaag publiceert over meer diversiteit in de top. Het in 2013 ingevoerde streefcijfer loopt dit jaar af. Dat had ertoe moeten leiden dat de raden van bestuur (de dagelijkse leiding) en de raden van commissarissen (die toezicht houden) voor minimaal 30 procent uit vrouwen zouden bestaan.

Na zeven jaar blijkt dat streefcijfer bij lange na niet gehaald te worden. Vooral het aantal vrouwelijke bestuurders blijft achter. De SER concludeert daarom dat vrijwillige maatregelen alleen niet werken. Naast een kleine groep koplopers is er een grote groep bedrijven die weinig tot niets doet om meer vrouwen in de top te krijgen, omdat er geen sancties zijn.

Volgens de SER zijn dwingende maatregelen daarom noodzakelijk. De sociaal-economische adviseur van het kabinet – bestaande uit werkgevers, vakbonden en onafhankelijke Kroonleden – begint bij de commissarissen. Van de 88 beursgenoteerde bedrijven hebben er  58 nog niet de vereiste 30 procent vrouwelijke commissarissen. Zij mogen, als het kabinet het SER-advies overneemt, met ingang van volgend jaar geen nieuwe mannelijke commissaris benoemen, tot ze de 30 procent hebben gehaald.

De idee is dat het smaldeel vrouwelijke commissarissen met eenderde sterk genoeg is om samen een vuist te kunnen maken. Dat moet leiden tot meer vrouwelijke benoemingen, ook in de raden van bestuur. Bestuurders worden benoemd door de raad van commissarissen.

SER-voorzitter Mariëtte Hamer spreekt van een doorbraak. ‘Er ligt een unaniem advies, ook gesteund door de werkgevers, die echt een brug over zijn gegaan.’ Volgens het oud-PvdA-Kamerlid is voldoende draagvlak belangrijk voor een ingrijpende maatregel als een verplichtend vrouwenquotum. ‘Dat momentum is er nu, omdat de afgelopen zeven jaar is gebleken dat vrijblijvende maatregelen alleen niet werken.’  

‘VAAK MOET ER IETS GEBEUREN VOORDAT ER IETS GEBEURT’

De stijging van het aantal topvrouwen verloopt te traag om het wettelijk streefcijfer van 30 procent binnen afzienbare termijn te halen. Dat stelt de Commissie Monitoring Topvrouwen in de jaarlijkse Bedrijvenmonitor Topvrouwen die vandaag verschijnt.

Vooral bij de vrouwelijke bestuurders gaat het langzaam. In 2012, voor het streefcijfer werd ingevoerd, was 7,4 procent van de bestuurders van de bijna vijfduizend bedrijven en organisaties die eronder vallen vrouw. Eind vorig jaar was dat gestegen naar 12,4 procent – minder dan 1 procentpunt per jaar. In de raden van commissarissen ging het in die tijd van 9,8 naar 18,4 procent – minder dan 1,5 procentpunt per jaar.

Volgens de Commissie onder leiding van oud-ABN Amro-bestuurder Caroline Princen ‘vallen de cijfers tegen’ en is het tijd voor een vrouwenquotum. Volgens de Commissie blijkt in andere Europese landen dat quota in korte tijd tot een versnelling kunnen leiden. De politiek krijgt daarom het advies een afdwingbaar quotum in te voeren, met sancties voor niet-naleving. Daarbij citeert de Commissie Johan Cruijff. ‘Vaak moet er iets gebeuren voordat er iets gebeurt.’

De Commissie kiest voor een ‘ingroeiquotum’ voor zowel de raden van bestuur als de raden van commissarissen, dat jaarlijks stijgt. ‘Bijvoorbeeld door in 2020 te kiezen voor een quotum van 20 of 25 procent en dat elk jaar te verhogen tot de 30 procent in 2025 is gerealiseerd.’

Toonaangevend voorbeeld

De 88 beursgenoteerde bedrijven worden, bij wijze van toonaangevend voorbeeld, het eerst op de korrel genomen. Het wettelijk streefcijfer geldt voor bijna vijfduizend grote bedrijven en (semi-)publieke organisaties. Zij krijgen geen verplichtend quotum, maar moeten van de SER wel een ‘ambitieus plan’ maken voor hoe ze meer vrouwen in de top willen krijgen. ‘De doelen moeten uitdagend zijn. Nul vrouwen mag niet, en er moet een stijgende lijn in zitten’, zegt Hamer.

De plannen moeten transparant en toetsbaar zijn, zodat bedrijven en organisaties aan hun beloften kunnen worden gehouden, bijvoorbeeld via naming and shaming en naming and faming. ‘De vrijblijvendheid moet eraf. Te veel bedrijven doen nog niets’, zegt Hamer. Uiteindelijk moet de verdeling fiftyfifty worden, evenveel mannen als vrouwen. Dat moet ‘het nieuwe normaal’ worden, aldus de SER.

Het vrouwenquotum splijt Nederland. Volgens de tegenstanders werkt een quotum stigmatiserend voor vrouwen. Volgens de voorstanders is de afgelopen jaren gebleken dat vrijblijvende maatregelen niet werken. Hamer: ‘Neelie Kroes zei ooit: dan ben ik maar een quotumvrouw. Dat vond ik wel een goede.’

Meer winst?

Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Centraal Planbureau (CPB) hebben onlangs onderzocht dat het niet hard te maken is dat meer vrouwen in de top ook tot meer winstgevendheid leidt, zoals de voorstanders van een quotum stellen. Maar ook niet dat het leidt tot minder winst, zoals de tegenstanders zeggen.

De SER wijst er in dat verband op dat het advies niet alleen gaat over vrouwen, maar ook over mensen met een niet-westerse achtergrond. Van hen zou er, gezien de samenstelling van de beroepsbevolking (hun aandeel is 11 procent), een op de tien in de top moeten zitten. ‘Evenredigheid gaat verder dan eventuele winstgevendheid. Hiermee creëer je een voorbeeldfunctie voor een inclusieve arbeidsmarkt. Zo wordt talent beter benut, worden vernieuwing en creativiteit gestimuleerd en wordt de sociale cohesie vergroot.’ Nu heeft maar een paar procent in de top een andere achtergrond.

Het advies is gevraagd door de ministers Van Engelshoven (Emancipatie) en Koolmees (Sociale Zaken), beiden van D66. Die regeringspartij was eerst tegen een vrouwenquotum , maar kwam vorige week toch met een voorstel. De andere regeringspartijen VVD, CDA en ChristenUnie zijn tegen, waardoor er op dit moment geen Kamermeerderheid voor een quotum is.

Van Engelshoven kan er voor kiezen het wettelijk streefcijfer nog eens met vier jaar te verlengen, omdat het al de goede kant op gaat, zij het tergend traag. Hamer gaat er echter vanuit dat het kabinet het SER-advies overneemt. ‘Twee ministers hebben ons gevraagd, we hebben er veel werk in gestoken en er ligt nu een unaniem advies, ook gesteund door de werkgevers. Dan zou het wel heel vreemd zijn als het kabinet er niets mee doet.’

REACTIES

Hans de Boer van VNO-NCW:

‘We hebben de afgelopen jaren veel stappen gezet. Toch moeten we constateren dat dit te langzaam ging. En hoewel ik het een zwaktebod blijf vinden, doen we daarom vandaag nieuwe voorstellen die moeten zorgen voor een radicale trendbreuk. Ook richten we ons niet langer alleen op de top, maar juist ook op de subtop van bedrijven. Dáár moet immers het talent voor de toekomst vandaankomen. De business case voor gendergelijkheid is zo klaar als een klontje. Cijfers van McKinsey laten zien dat onze hele economie erdoor naar een hoger plan wordt getild. Alle reden dus om door te pakken. Het mag gewoon echt niet meer uitmaken of je nou een jongen of een meisje bent of van een andere culturele herkomst. Je talent moet centraal staan.’

Marry de Gaay Fortman van Topvrouwen.nl:

‘Allereerst juich ik toe dat het streven van 30 procent vrouwen in de raden van commissarissen minder vrijblijvend wordt opgepakt. Maar bij de 5.000 bedrijven die onder het streefcijfer vallen valt nog een wereld te winnen. Waarom ook niet daar een ingroeiquotum invoeren tot het moment dat de kritische massa van 30 procent is bereikt?

Voor de raden van bestuur komt er geen (ingroei)quotum, wel een inspanningsverplichting. Je kunt je afvragen of dit geen oude wijn in nieuwe zakken is. Veel ondernemingen hebben het wettelijk streefcijfer niet omarmd. Zal dit bij een inspanningsverplichting anders worden? Ambitieuze en getalenteerde vrouwen stromen slechts mondjesmaat door naar de top. Waarom blijven we het slakkentempo nog accepteren?

Daarbij komt nadrukkelijk nog bij dat diversiteit in de top van het bedrijfsleven alleen een succes kan worden in combinatie met een inclusieve cultuur. Overal waar klakkeloos vrouwen worden neergezet om te voldoen aan een streefcijfer of ingroeiquotum, blijft sprake van onbegrip en worden vrouwen gezien als minder competent. Daar moeten we voor waken.’