Artikel  Linda Senden en Mirella Visser / de Volkskrant | Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant

Nu de streefcijferwet is geflopt is het hoog tijd voor steviger maatregelen voor meer vrouwen aan de top, betogen hoogleraar Linda Senden en strategisch adviseur Mirella Visser.

De regering maakt binnenkort de balans op van de omstreden streefcijferwet, die loopt tot 2020. De wet moest zorgen voor minstens 30 procent vrouwen als bestuurders en commissarissen in grote bedrijven. Terwijl de ons omringende landen afdwingbare wettelijke quota invoerden, koos de regering voor zelfregulering: streefcijfers zonder sancties op niet-nakoming. In mei 2018 kondigde het ministerie extra acties aan om het aantal vrouwen in de top versneld te verhogen. Na vijf jaar kunnen we concluderen dat de wet is geflopt.

Raden van Commissarissen (rvc’s) en Raden van Bestuur (rvb’s) van de grootste vijfduizend bedrijven tellen nu slechts respectievelijk 18 procent en 15 procent vrouwen. Beursgenoteerde bedrijven doen het iets beter met 25 procent vrouwen in de rvc’s maar veel slechter wat betreft het bestuur (6 procent). Opmerkelijk want grote bedrijven kunnen door hun omvang, budget en goede naam gemakkelijker (vrouwelijk) toptalent uit de markt halen. Het aantal dat voldoet aan het streefcijfer in beide raden is op de vingers van een hand te tellen: 5. Maar niet alleen de streefcijfers worden niet gehaald, minder dan 10 procent voldoet aan de wettelijke rapportageverplichting.

Achterhaald argument

Waarom lopen wij zo achter en koos men hier voor zelfregulering? Men vreesde vooral dat er onvoldoende gekwalificeerde vrouwen waren om de posities te vullen. Dat argument lijkt achterhaald. Onderzoek in Noorwegen, dat wettelijke quota invoerde in 2003, laat zien dat vrouwen die na invoering benoemd werden in de rvc’s beter waren gekwalificeerd dan hun voorgangers.

Dat de zelfreguleringsaanpak beperkingen kent zie je ook in het Verenigd Koninkrijk. Het aandeel vrouwen in rvb’s (executive directors) stagneert op 10 procent (FTSE100) en in de FTSE250 zelfs op 6 procent. Het aandeel vrouwelijke non-executives groeide wel gestaag tot respectievelijk 35 procent en 29 procent. Men kijkt daarom nu ook serieus naar de voortgang in landen die wél wettelijke en afdwingbare quota hebben ingevoerd. Zoals naar Frankrijk en Italië, waar de rvc’s inmiddels uit respectievelijk 48 procent en 43 procent vrouwen bestaan. Daar heeft de quotawetgeving voor gezorgd.

Het fundamentele probleem van de streefcijferwet is dat die de handen en voeten ontbeert die nodig zijn om de ondervertegenwoordiging van vrouwen echt aan te pakken. Terecht wordt er steeds gehamerd op het belang van handhaving en handhaafbaarheid van overheidsregels. Daarom valt het moeilijk te begrijpen dat er bij deze wet vanuit wordt gegaan dat geen sterk toezicht- en handhavingsmechanisme nodig is en dat het vanzelf wel tot nakoming zal leiden.

Naïeve gedachte

De praktijk laat zien dat dit een naïeve gedachte is. Dat veel bedrijven niet eens de moeite nemen om te voldoen aan de kom-na-of-leg-uit-verplichting, omdat ook daar geen sancties op staan, duidt erop dat zij het probleem niet serieus nemen.

Andere Europese landen bieden inspiratie wat betreft de inrichting van quotaregelingen en betere handhavingsmechanismen. Zo heeft IJsland in 2018 een certificerings- en auditverplichting ingevoerd op basis van de ‘Standaard Gelijke Beloning’, die bedrijven ertoe verplicht om hun beloningsbeleid, functiewaarderings- en beloningssystemen zo in te richten dat deze niet discriminerend zijn. Bij niet-nakoming volgen boetes.

Vorig jaar bestempelde verantwoordelijk minister Van Engelshoven de resultaten als ‘echt om te huilen’ en zei stevige maatregelen niet te schuwen als dit bij de evaluatie in 2019 nog steeds zo zou blijken te zijn. Hoogste tijd om die woorden kracht bij te zetten.

Linda Senden is hoogleraar Europees recht, Universiteit Utrecht.

Mirella Visser is strategisch adviseur Nederlandse VrouwenRaad.