John Fentener van Vlissingen en Marlies van Wijhe over diversiteit binnen familiebedrijven

Familiebedrijven verschillen van andere vennootschappen. Ondernemer John Fentener van Vlissingen en CEO en FBNed-voorzitter Marlies van Wijhe zien dwingende maatregelen met betrekking tot diversiteit voor deze groep dan ook niet zitten.

Het Topvrouwen.nl-interview met John Fentener van Vlissingen en Marlies van Wijhe vindt plaats op de eerste echte kille dag van het najaar: de regen komt met bakken uit de hemel en de blaadjes dalen neer. Met de onvermijdelijke komst van de herfst komt ook het besef dat Nederland over niet al te lange tijd weer aan de oliebollen zal zitten. Over wat het nieuwe jaar zal brengen, kan niemand orakelen – maar duidelijk is dat er in 2019 een knoop doorgehakt zal worden over oplossingen voor de trage doorstroom van vrouwen naar de top van het bedrijfsleven. Ingrid van Engelshoven, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en met emancipatie in de portefeuille, maakt er geen geheim van in dat jaar een beslissing te nemen over eventuele maatregelen om de man/vrouwbalans in de topgremia van het bedrijfsleven af te dwingen. Een quotum behoort tot de mogelijkheden. Welke maatregel – if any – het ook wordt, elk overheidsingrijpen zal de nodige kopzorgen met zich meebrengen. Want kun je alle ondernemingen die onder de Wet bestuur en toezicht (Wbt) vallen over een kam scheren? Hoe zit het bijvoorbeeld met familiebedrijven, waarvan Nederland er volgens de meest recente cijfers van het CBS bijna 278.000 telt? De Wbt ziet toe op 5.000 grote ondernemingen, waarvan naar schatting zo’n 30 procent familiebedrijven zijn en die dus ook nu al gehouden zijn aan het wettelijk streefcijfer van ten minste (spatie invoegen, want in deze zin moeten het twee woorden zijn) 30 procent vrouwen in de raad van bestuur (rvb) en raad van commissarissen (rvc). Kun je diversiteit afdwingen voor deze groep of is diversifiëring van deze groep simpelweg een ‘family affair’?

Ruggengraat

Daarover praat Topvrouwen.nl met John Fentener van Vlissingen, telg uit misschien wel ’s lands bekendste ondernemersgeslacht – conglomeraat SHV is het grootste familiebedrijf van het land – én zelf zeer succesvol met zakenreisgigant BCD Group (actief in 109 landen, 15.000 medewerkers) en met Marlies van Wijhe. Zij is CEO van familiebedrijf Koninklijke Van Wijhe Verf (producent van Wijzonol bouwverven) en daarmee vierde generatie aan het roer van de Zwolse onderneming met 230 medewerkers.
Beiden dragen ze vanuit hun achtergrond het familiebedrijf een warm hart toe en trekken dat breder dan alleen hun eigen onderneming: Van Wijhe is de strijdbare voorzitter van netwerk en belangenbehartiger FBNed (Familiebedrijven Nederland), van waaruit ze onder meer de lobby rondom het UBO-register (onderdeel van de Europese anti-witwasrichtlijn) voert, tegen de hogere belasting in Box 2 ageert en zich hard maakt voor meer zichtbaarheid: “Dit jaar viel in de Troonrede niet een keer het woord ‘familiebedrijf’, en in de begroting van Economische Zaken en Klimaat werd het familiebedrijf slechts een keer genoemd. Onbegrijpelijk.”
Fentener van Vlissingen, die in zijn jonge jaren niet koos voor SHV maar zijn eigen ‘winkel’ startte, zet jaarlijks familieondernemingen in de spotlights met de Familiebedrijven Award, een initiatief van zijn Stichting Familie Onderneming. “Die prijs riep ik in het leven uit irritatie over het feit dat familiebedrijven in Nederland te weinig erkenning kregen. Je hoort weleens dat familiebedrijven de ruggengraat van de Nederlandse economie zijn – die term is door mij geïntroduceerd bij de eerste uitreiking van de award – familiebedrijven zorgen voor 49 procent van de werkgelegenheid in ons land. Ze zijn bovendien vaak diepgespecialiseerd, bijvoorbeeld in hightech, of met een disruptief businessmodel. Dat is ook logisch, want kleinere bedrijven zijn flexibel en kunnen dus echt innoveren, omdat ze niet de legacy die grote kolossen hebben met zich meeslepen.”
Van Wijhe heeft dezelfde ervaring. Zelf greep ze de crisis van een aantal jaar geleden aan om duurzaam en toekomstbestendig te worden. Koninklijke van Wijhe verf was de eerste verffabriek die met een duurzame muurverf kwam, op basis van biobased grondstoffen. “Zelf noem ik familiebedrijven de hoeksteen van de economische samenleving. Betrokkenheid van familie geeft veel oog voor duurzaamheid en de lange termijn. Ons bedrijf bestaat 102 jaar en in die tijd is onze familie niet uitgedijd. Mijn vader – de voormalige CEO – zit in de rvc, mijn zus is actief op de afdeling marketing als manager corporate marketing & communicatie, mijn neefje is net begonnen als assistent-brandmanager: meer familie is er niet bij betrokken. Maar ik omring me heel graag met mensen die familiebedrijven begrijpen en de waarde ervan onderkennen: in mijn rvc zitten 2 leden die CEO zijn bij een familiebedrijf.”

Het belang van outsiders

Het gesprek vindt plaats aan de lange, gepolitoerde houten tafel in de bibliotheek van de Zeister kantoorvilla van BCD Group, dat zich met zakenreizen voornamelijk richt op de farmacie, voedselindustrie en filmwereld. De kamer verraadt veel over hoe Fentener van Vlissingen in het leven staat. Tussen de kunstboeken – Hollandse meesters in Amerika, French impressionism, Rembrandts Drawings – zijn ook wat kleine parafernalia te zien die verwijzen naar successen van de familie: een miniatuurtruck met het Makro-logo erop, awards, plaquettes. Opvallend is een bordje met de tekst It’s not the years in your life that count, it’s the life in your years that count.

Met zijn 79 jaar is Fentener van Vlissingen dan ook nog zeer actief als commissaris van het concern, net zoals zijn vrouw en schoonzoons. “Er zitten ook outsiders in de rvc hoor, ik vind dat echt essentieel. Ik heb 2 keer meegemaakt dat er spanningen waren, en die spanningen los je moeilijker binnen de familie op. Dan loop je het risico dat familieleden denken dat je partij trekt. Een extern iemand staat er anders in en kan makkelijker zijn mening geven, dat helpt.” Verandert het karakter van het familiebedrijf als er geen familie meer in het bestuur zit? “Dat hoeft niet. Bij de top-5 van de grote familiebedrijven is de CEO geen familielid. Bij SHV bijvoorbeeld, bij ons – wij zijn de trotse nummer 3 in dat rijtje – en bij PON. Maar zo’n externe CEO moet wel de lange termijn omarmen en het gedachtegoed uitdragen, anders past hij of zij niet in een familiebedrijf.”

Gunfactor

Familiebedrijven zijn speciaal, dat maken Van Wijhe en Fentener en Vlissingen glashelder, en dat zorgt voor een stevige klantenbinding. Van Wijhe: “Veel van onze klanten doen zaken met ons omdat zij familiebedrijven hoog hebben zitten. In Indonesië tekende ik een contract met een grote klant – ook een familiebedrijf – en ik nam mijn vader mee als émince grise. Dat waarderen klanten, als de familie zich laat zien maak je echt een connectie.”
Fentener van Vlissingen herkent dat: “Toen SHV de Europese Makro’s verkocht, zei de beoogd koper: ‘Ik heb de familie nog niet gezien, dus ik teken niets!’. Elkaar in de ogen kijken is belangrijker dan het contract.” Een bedrijf dat generaties lang geleid wordt door een familie, boezemt vertrouwen in en zorgt ook voor de gunfactor. Fentener van Vlissingen heeft daar sterke staaltjes van meegemaakt. Daags na 9/11 zat hij in een – vrijwel leeg – vliegtuig naar New York, om zijn belangrijkste klanten te vragen hem te helpen zodat hij zo min mogelijk mensen hoefde te ontslaan. Die klanten waren bereid samen voor damage control te zorgen. Dat BCD de gunfactor heeft, merkte hij vaker. “CNN was een van onze eerste grote klanten. In de beginjaren zette CNN 2 miljoen dollar bij ons om – dat was toen een gigabedrag. We deden zaken met oprichter Ted Turner. Elk jaar leverde hij een waslijst van zaken aan die ik in zijn ogen niet goed aanpakte. Maar toen CNN werd overgenomen door Time Warner en een andere partij wilde inhuren voor hun reizen, ging Ted daarvoor liggen. ‘Mooi niet, ik heb een emotionele band met dit bedrijf dat met hart en ziel onze reizen regelt’, zei hij. Nu zetten ze jaarlijks zo’n 120 miljoen om.”
Het feit dat familiebedrijven speciaal zijn, wil echter nog niet zeggen dat ze een status aparte hebben. Ook van grote familiebedrijven die onder de Wet bestuur en toezicht vallen wordt verwacht dat ze werken aan het diverser maken van de raad van bestuur en de raad van commissarissen. Marlies van Wijhe wordt daar fel van, terwijl zij absoluut vóór een goede man-vrouwbalans is. “Het is het moeten dat mij tegen de borst stuit. Nederland is een conservatief land. Je kunt niet in een paar jaar omturnen. Ik heb het nog even opgezocht: vrouwen hebben pas 100 jaar actief kiesrecht, getrouwde vrouwen waren tot 1956 handelingsonbekwaam. En nu willen we afdwingen dat we binnen een paar jaar tijd voldoende vrouwen aan de top hebben?” Kolder, straalt zij uit, en bovendien: “De businesscase van genderdiversiteit, zoals ook Topvrouwen.nl die promoot, is glashelder. Bedrijven die niet met hun tijd meegaan, komen zichzelf tegen – die overleven uiteindelijk niet. Laat dus maar begaan, wie slim is verandert allang vanuit intrinsieke motivatie. Het selecteert zich vanzelf uit.” Voor een deel is dat al gebeurd – bij opvolging binnen het familiebedrijf maakt gender eigenlijk niet meer uit, betoogt Van Wijhe. Ze ziet dat om zich heen en spreekt uit ervaring: “Ik heb mijn vader wel eens gevraagd wat hij dacht toen hij twee dochters kreeg. Zijn initiële emotie bleek destijds inderdaad dat dat het einde van het familiebedrijf was.” Maar toen jaren later de opvolgingskwestie aan de orde kwam, bleek vader Van Wijhe de grootste supporter van zijn dochter. Hij stond daarin niet alleen. Met een lach: “Mijn opa was best conservatief. Die vond het maar niets, vrouwen in een bedrijf. Maar dat ging niet over zijn kleindochters, hij vond het prachtig dat ik CEO werd.” Fentener van Vlissingen: “Familiebedrijven aanvaarden simpelweg de beste man of vrouw. Dat zit in ons DNA.”

Een grote sprong voorwaarts

Of ‘dwingen’ – ofwel het verplichten een kritische massa van tenminste 30 procent vrouwen in de top te benoemen – al dan niet zinvol is, staat ter discussie. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap liet er een uitgebreid rapport over schrijven. In dit rapport, Familiebedrijven onder de loep, worden de (on)mogelijkheden van familiebedrijven met betrekking tot diversiteit verkend. Uit dit rapport blijkt dat de ‘diversiteitsprestaties’ van familiebedrijven ongeveer overeenkomen met andere grote vennootschappen: het aantal familiebedrijven dat het streefcijfer heeft gerealiseerd in de rvb en rvc was eind 2016 16,2 %, tegenover 16,7 % van de overige grote vennootschappen in Nederland, zoals de Bedrijvenmonitor Topvrouwen laat zien. Opvallend daarbij is dat familiebedrijven ‘van ver’ komen: de uitgangspositie van familievennootschappen was in 2012 erg laag: destijds had slechts 2,9 procent van de familiebedrijven een evenwichtig verdeelde rvb, tegenover 9,3 procent van alle vennootschappen in ons land.
Van Wijhe: “Dat laat zien dat ook familiebedrijven emanciperen, en dat ze zelfs een grote sprong voorwaarts hebben gemaakt. Over 10 jaar ‘winnen’ ze van andere vennootschappen. Duw bedrijven daarom niet in een keurslijf van aantallen en termijnen. Ik ben bereid daartegen te strijden, zeker. Het is gewoon niet nodig. Binnen FBNed hebben we een next-generations afdeling: de mannen en vrouwen die zich warmlopen voor opvolging. Van hen is 40 procent vrouw.”

Twee broers in de directie, neemt er een ontslag?

Zou je familiebedrijven wél genderdiversiteit opleggen, dan loop je tegenover allerlei problemen aan, denkt ze. “Neem een directie die uit 2 broers bestaat die ook samen aandeelhouder zijn. Moet je dan zeggen dat een van hen ontslag moet nemen ten gunste van een vrouw? Als er een quotum komt, dan moet de minister een uitzondering maken voor familievennootschappen. Dwang werkt hier simpelweg niet.” Ook vrouwen zelf werken lang niet altijd mee, signaleert Van Wijhe. “Bij Koninklijke Van Wijhe Verf zocht ik lang naar een vrouwelijke cfo in verband met de balans – niemand hapte. Ooit wilde ik een vrouw op een hoge functie benoemen, maar zij haakte af omdat ze niet aan een vrouw wilde rapporteren – conservatisme komt dus niet van mannen alleen.”
Ook Fentener van Vlissingen is geen voorstander van de wet. “En als er al een quotum met straf komt, dan uitgesmeerd over een heleboel jaar. Overigens geloof ik niet dat er een dergelijk quotum voor de rvb komt, hooguit voor de rvc, maar ook dan loop je het risico dat je op kwaliteit moet beknibbelen.” Hij kan zich goed vinden in de reserves van Van Wijhe. “Vrouwen in mijn bedrijf, het is nooit een issue geweest. Ik wilde altijd de beste man/vrouw voor de job, en dat leidde ertoe dat we heel veel vrouwen in dienst hebben. Generaliseren mag eigenlijk niet, maar vrouwen zijn vaak steengoed. En in de service-industrie zijn ze zelfs beter.” Hij doelt op dat bijzondere je-ne-sais-quoi waarover vrouwen beschikken en dat vaak raakt aan empathie, fingerspitzengefühl, de moed om het onbespreekbare bespreekbaar te maken. “Daarom wil je vrouwen er toch gewoon bij hebben, zonder discussie? Bij BCD Group is in de top-20 is de verhouding 50/50, maar niet uit overwegingen van fairness – dit zijn gewoon de beste mensen. In alle eerlijkheid heb ik ook wel eens enorm getwijfeld of ik een vrouw op een hoge positie wilde benoemen. Dat ging om een vrouw in Latijns-Amerika. Ik twijfelde vanwege de machocultuur – kun je dat een vrouw wel aandoen? Ik benoemde haar toch omdat ze zo steengoed was. Binnen twee dagen had ze het respect van haar medewerkers verworven. Niets aan de hand dus. Overigens is ook mijn nicht Annemiek Fentener van Vlissingen, commissaris bij SHV, tegen een quotum. Zij denkt dat vrouwen daardoor niet meer op hun merites beoordeeld zullen worden. Ik ben zeker met haar eens dat dat gevaar bestaat.”
Fentener van Vlissingen moest ook wel eens op de bres voor een vrouw: “Een aantal jaar geleden wilde een grote klant dat ik meekwam naar een contractbespreking, dat gebeurt heel vaak. Ik zei: prima, ik neem het hoofd van Europa mee. Dat is een vrouw.” De klant bevroor aan de telefoon en gaf aan dat niet te willen. Fentener van Vlissingen: “Ik schrok me dood. Ik zei: ‘Er komt even iets tussen, mag ik u zo terugbellen?’ Ik wilde even tijd winnen, maar realiseerde me direct: als ik dit toesta, ga ik totaal af. Dan schep je een precedent. Dus ik belde terug en zei dat dit niet binnen onze policy past: ik zou met haar komen, of níet komen. Hij stemde knarsetandend toe, maar toen puntje bij paaltje kwam was hij zo om. Hij aanvaardde ook dat zij voortaan de follow up deed, zonder mij. Hij zag de kwaliteit van deze vrouw. En kwaliteit, daar draait ’t om.”

De beste moet winnen

Twee ondernemers, wars van dwang en ge- en verboden, maar wat werkt in hun ogen wél? Van Wijhe: “We moeten aandacht blijven vragen voor genderdiversity, precies zoals Topvrouwen.nl doet. Het onlangs gelanceerde manifest #Equality2020 vind ik krachtig. Ik hoor ook dat de database van Topvrouwen.nl groeit. Dat is geweldig, maar brengt ook een verantwoordelijkheid met zich mee: blijf de kwaliteit monitoren. Vrouwen moeten echt board ready zijn, zodat bedrijven niet kunnen zeggen: zie je wel, er zijn geen vrouwen die voldoen.”
Fentener van Vlissingen vindt genderdiversiteit een no brainer. “Het is leuk, brengt een geweldige dynamiek met zich mee, tilt je organisatie naar een hoger niveau. Mannen en vrouwen zijn complementair en we moeten van die kennis gebruikmaken. Sommige mannen zijn misschien bang voor vrouwen an sich. Dat is nergens voor nodig. Hoewel ik me ergens kan voorstellen dat ze bang zijn voor de grote kwaliteiten die veel vrouwen met zich meebrengen, je kunt voorbijgestreefd worden. Maar de beste moet winnen. Altijd.”

Tekst Nicole Gommers